Negen jaar zonder titel
Na de oorlog stroomde het stadion weer vol, maar een kampioenschap kwam er niet. Over de jaren tussen de bevrijding en het betaald voetbal, met een beslissingswedstrijd voor 55.000 mensen en een 1-9 in eigen huis.
Opnieuw beginnen

In de zomer van 1945 begon Feijenoord met een elftal dat de oorlog in de benen had. Veel spelers waren uit vorm of nog niet terug, en oud-aanvoerder Kees Pijl werd trainer. Het werd een zesde plaats. Een jaar later nam Adriaan Koonings het over, die met Pijl en Formenoij ooit het bekendste binnentrio van het land had gevormd. Feijenoord werd tweede, en er debuteerden spelers die de ploeg jaren zouden dragen: doelman Henk van der Bijl, Piet Steenbergen en Joek Brandes. In mei 1946 vloog het elftal bovendien naar de West, het eerste grote avontuur na de oorlog; daarover lees je in Op reis.
Gelijk met EDO
Het seizoen 1947/48 kwam het dichtst bij een titel. De Kuip liep weer vol: bij thuiswedstrijden kwamen gemiddeld zo’n 38.000 mensen. Feijenoord eindigde met evenveel punten als EDO uit Haarlem, en dus kwam er een beslissingswedstrijd. Op 21 maart 1948 werd die gespeeld in het Olympisch Stadion in Amsterdam, voor 55.000 toeschouwers. Het clubblad zag het al aan de opkomst: de EDO-spelers kwamen ‘als hongerige honden’ het veld op, de Feijenoorders wandelden ‘genoeglijk’ naar binnen. Bij rust stond EDO met 2-0 voor. Een kwartier voor tijd scoorde Feijenoord, maar het bleef 2-1. In de kampioenscompetitie speelde EDO, Feijenoord bleef thuis.
Tweede, zesde, achtste
Ook in 1948/49 werd Feijenoord tweede in de afdeling. In de beker kwam de ploeg in het voorjaar tot de halve finale, waarin Helmondia na een 1-1 pas met strafschoppen won. Daarna zakte het weg. In 1949/50 werd het een zesde plaats, met maar 27 doelpunten in achttien wedstrijden, en in mei 1950 won Haarlem in de beker met 1-9 in De Kuip, nadat Feijenoord al met drie invallers was begonnen en in de tweede helft nog meer spelers kwijtraakte. Onder de Engelsman Harry Topping werd het in 1950/51 een achtste plaats.
Dombi komt terug

In 1951 haalde Feijenoord de trainer van de kampioensploegen van voor de oorlog terug: Richard Dombi. Hij gaf veel jonge spelers een kans. In dat ene seizoen maakten er elf hun debuut, onder wie doelman Eef Zondervan, Riny van Woerden en Gerard Kerkum, en een jaar eerder waren Hans van der Hoek en Daan den Bleijker al doorgebroken. Feijenoord werd vierde en daarna vijfde. In februari 1953 lag de competitie wekenlang stil door de watersnood.
Het einde van het amateurvoetbal
Het seizoen 1953/54 werd het laatste van het amateurvoetbal. Feijenoord werd opnieuw vijfde, met Toon Meerman als topscorer, en een jonge Henk Schouten maakte zijn debuut. Buiten de bond om werd intussen een profcompetitie opgezet, en in de zomer van 1954 koos ook de KNVB voor betaald voetbal. Negen jaar na de bevrijding had Feijenoord nog geen nieuwe titel. Die kwam pas in 1961, in de nieuwe Eredivisie. Hoe de overstap verliep, lees je in De komst van het betaald voetbal.
Weet jij meer over dit onderwerp, of heb je een foto, knipsel of familieverhaal? Stuur een aanvulling of bekijk de open vragen.