De junioren
Naast het eerste elftal speelde in de jaren dertig een hele club van jongens: A-, B- en C-junioren, met een eigen commissie, eigen kampioenschappen en een aanvoerder die zijn ploeg per brief toesprak.
Een club van jongens

Begin jaren dertig was Feijenoord een van de grootste verenigingen van Rotterdam. In het seizoen 1931/32 speelden er 24 elftallen, en daaronder waren veel junioren: jongens in A-, B- en C-teams, met een eigen juniorencommissie die de wedstrijden regelde. Het clubblad had een vaste rubriek ‘Onze juniores’, met uitslagen, standen en foto’s van kampioensploegen. In de zomer van 1934 stonden er in één nummer zes jeugdelftallen die kampioen waren geworden, van de A2 tot de C4, die zijn klasse ongeslagen won.

De prijzen kwamen ook van toernooien. Over het seizoen 1930/31 somde het clubblad ze op: de A1 werd tweede in het paastoernooi van VOC, het toernooi van Duno in Den Haag en dat van Neptunus, de B1 won de afvalwedstrijden in Naaldwijk, en de jongste elftallen wonnen een beker in een puntenwedstrijd tegen SVV. Oud-speler Cor van der Velde zat in de juniorencommissie en bedankte na afloop het bestuur van SVV voor ‘den aangenamen dag’.
Tegen Ajax in het Stadion

In 1931 speelde de A1 in Amsterdam een voorwedstrijd tegen de A1 van Ajax, in een stadion dat al aardig vol zat. Bij Ajax mochten de junioren een jaar ouder zijn, schreef het clubblad, en dat was te merken. Toch had de ploeg zich ‘flink’ geweerd, en op de achtergrond van de foto was te zien hoeveel publiek er al was.
Een brief van de aanvoerder
In het voorjaar van 1934 stond het jeugdelftal er goed voor. Na een gelijkspel bij SVV hadden de jongens zich voorgenomen geen wedstrijd meer te verliezen, en de eerste vijf van de laatste negen waren gewonnen. Aanvoerder Bertus Kik schreef zijn ploeg toen een brief in het clubblad. Ze moesten ‘spelen als leeuwen’, vanaf de eerste tot de laatste minuut, en echte Feijenoorders zijn, zoals het eerste elftal dat zo vaak een wedstrijd ‘uit het vuur’ had gesleept. Hij had ook adviezen. Wie een medespeler een slechte dag zag hebben, moest niet mopperen, maar zelf een schepje erbovenop doen. Niet pingelen, want dan stonden de anderen vrij en wachtten ze tevergeefs op de bal. En liever lange passes naar de vleugels dan dat korte spel.
Een paar jongens van die ploeg haalden het eerste elftal. Chris Sinke debuteerde in september 1934 en speelde tot 1944 ruim tachtig officiële wedstrijden. Ook Cor Huisman en Arie Paauwe kwamen in de jaren daarna in het eerste uit.
Strenge regels en een feestavond
In 1938 bestond de juniorencommissie uit oud-centervoor Jaap Barendregt, J.A. van Rikxoort en A. Wulffraat. Ze lieten in het clubblad weten dat er hard zou worden opgetreden tegen jongens die zonder bericht wegbleven bij een wedstrijd waarvoor ze waren opgeroepen. Wie dat deed, werd voor een paar wedstrijden geschorst, en die schorsing gold ook voor het stadion: dan mocht je ook niet naar het eerste elftal kijken.
Er was ook plezier. Op 24 maart 1938 kwamen de junioren bijeen in het restaurant van het nieuwe stadion voor een feestavond. Voorzitter Van Zandvliet opende met een driewerf hoera, de heer Wijlsteke hield een lezing over hoe een jonge Feijenoorder zich op en buiten het veld hoorde te gedragen, en daarna volgde het ‘amusante gedeelte’: liedjes van de heer Wolff, waarvan de refreintjes zo hard werden meegezongen dat volgens het clubblad het stadion ‘op zijn grondvesten dreunde’, twee zangers en mevrouw Pijl aan de piano.
Weet jij meer over dit onderwerp, of heb je een foto, knipsel of familieverhaal? Stuur een aanvulling of bekijk de open vragen.