Crescendo en DCS
Twee kleine clubs die in Feijenoord opgingen, en wat ze meebrachten: Adriaan Koonings, Cor van der Velde en Kees Pijl, drie spelers die het gezicht van de club in de jaren twintig bepaalden.

Feijenoord groeide in zijn eerste jaren niet alleen door nieuwe leden die zich aanmeldden. Twee keer ging een kleinere vereniging in haar geheel in de club op. Beide keren kwam daar een speler mee die jarenlang het verschil zou maken.
Crescendo, 1911
De eerste was Crescendo, een kleinere vereniging, dat zich in 1911 aansloot bij wat toen nog Celeritas heette. Volgens de clubgeschiedenis die De Feijenoorder in 1938 publiceerde, kwamen daarmee onder anderen Adriaan Koonings, Cor van der Velde en A. J. Franse naar de club. Koonings en Van der Velde begonnen allebei in het derde elftal.
Van der Velde werkte zich op via het tweede en speelde vanaf 1914/15 in het eerste. Met Pinksteren 1916 brak hij in een wedstrijd in Schiedam zijn been, maar een seizoen later voetbalde hij alweer, voorzichtigheidshalve eerst in het tweede. Van 1917 tot 1925 was hij een vaste kracht in het eerste elftal. Toen Puck van Heel zijn plaats als linkshalf overnam, vroeg hij heel gewoon of hij in het tweede mocht blijven spelen. Het clubblad noemde hem ‘onze zwoeger’.
Koonings werd een van de grote aanvallers van Feijenoord. Hij maakte het eerste doelpunt op het nieuwe terrein aan de Kromme Zandweg en speelde in alle wedstrijden om het landskampioenschap waaraan Feijenoord in die jaren deelnam. In 1929 werden Koonings en Van der Velde allebei door de leden geëerd. Voor Van der Velde ging dat niet in één keer: bij de eerste stemming haalde hij net niet genoeg stemmen, tot spijt van het bestuur. Later dat jaar lukte het alsnog, en ook bij Koonings kwam het volgens de kroniekschrijver van het clubblad pas aan op ‘serieuze en reglementaire stemtellerij’.
Van FVV via DCS naar Feijenoord
De tweede club had een kortere, maar opmerkelijke geschiedenis. Kees Pijl begon bij FVV, een club die bij de Rotterdamse Voetbalbond speelde. In zijn eerste seizoen daar ging er geen wedstrijd verloren en maakte FVV 108 doelpunten. FVV had echter geen goed veld, en daarom ging de club na een jaar samen met Het Zuiden, een tweedeklasser van de Rotterdamse bond. Die combinatie heette DCS.
Na zo’n acht weken legde de gemeente beslag op het terrein van DCS, en toen werd onder leiding van J. D. van Bennekum een samengaan met Feijenoord geregeld. Dat ging snel, zo schreef het clubblad in 1930. Op een zondag om één uur ’s middags was de combinatie rond, en om vier uur speelde Pijl al zijn eerste wedstrijd voor Feijenoord, in het tweede elftal tegen DFC 3, dat met 3-2 werd verslagen. Na nog twee wedstrijden in het tweede kwam hij in 1916 in het eerste elftal. Daar zou hij tot en met het seizoen 1929/30 blijven, tien jaar lang als aanvoerder.
Met DCS kwamen ook Jan Petterson en Harry van Esch naar Feijenoord. Van Esch kreeg als DCS-man direct een plaats in het bestuur, en hij zou er decennialang deel van uitmaken.
Het binnentrio
De komst van Pijl betaalde zich uit. Met Pijl, Koonings en Ok Formenoij had Feijenoord in het begin van de jaren twintig een binnentrio waar het hele land over sprak. In het boek Hup Holland werd de promotie naar de eerste klasse in 1921 vooral aan hun combinatiespel toegeschreven: ‘Eerst later, toen deze spelers niet meer dien vorm hadden, kwamen zij in aanmerking voor het Nederlandsch Elftal.’ Pijl speelde vanaf 1924 alsnog acht interlands. In 1924 scoorde hij er vier tegen Roemenië.
Niet altijd zonder wrijving
Helemaal vanzelf ging het samengaan niet. In 1921 meldde het clubblad onvrede in de lagere elftallen bij ‘het clubje dat in D.C.S. speelde’, die na veel praten werd bijgelegd. Een jaar later waarschuwde het bestuur opnieuw tegen ‘de bekende D.C.S.-Combinatie’ en schorste het enkele spelers voor geruime tijd. Uiteindelijk verdween DCS als groep uit het clubleven, maar de spelers die het had meegebracht, bleven.
Weet jij meer over dit onderwerp, of heb je een foto, knipsel of familieverhaal? Stuur een aanvulling of bekijk de open vragen.