Op een zomerse middag in mei 1985 speelde Feyenoord in het Olympisch Stadion tegen Ajax, dat met een zege bijna zeker zou zijn van zijn 22e landstitel. Lang werd het geduld van de toeschouwers op de proef gesteld, maar de tweede helft leverde zes doelpunten op, waarvan twee werden afgekeurd.
Voor rust zette Frank Rijkaard Ajax op voorsprong, waarna Peter Houtman direct gelijkmaakte (1-1). In de rust kwam Ruud Gullit in voor Been, en Feyenoord klampte zich daarna aan hem vast. Henk Duut zette Feyenoord tien minuten na rust zelfs op 1-2. Ajax had genoeg veerkracht: na een fraaie combinatie met Vanenburg schoot Rijkaard briljant in de bovenhoek (2-2). Daarna nam Ajax het over. Schoenaker maakte de 3-2 nadat André Hoekstra wild over een kopbal van Van Basten heen maaide.
Negen minuten voor tijd besliste Marco van Basten de wedstrijd met een weergaloze solo en een dito doelpunt (4-2). Drie, vier Feyenoorders gooiden zich ontgoocheld languit op het gras.
Volgens de Volkskrant toonden de twee steden hun karakter in het spel: Amsterdam het artistieke renpaard, Rotterdam de zwoegende werkezel.
Bron: eigen verslag op basis van de Volkskrant en Het Parool van 20 mei 1985 (Delpher).





