In 1927 stond Feijenoord voor de tweede keer op rij in de finale om de Zilveren Bal, nu tegen stadgenoot Excelsior. Na een ochtend vol regen brak tegen de middag de zon door, en de belangstelling voor de Rotterdamse ontmoeting was groot. Onder de autoriteiten waren burgemeester Wytema en baron Schimmelpenninck van der Oye, voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité, dat die dag vijftien jaar bestond.
Het begon als een vlotte, aantrekkelijke strijd, maar na een kwartier miste Van Dijke bij een aanval van Excelsior de bal en gaf Grobbe zijn club de leiding (0-1). Vijf minuten later passeerde Stolk doelman Dekker met een ver schot (0-2). Feijenoord probeerde terug te komen, maar de Excelsior-verdediging met doelman Van den Bergen hield stand, en voor rust schoot Vink nog onhoudbaar raak (0-3).
Ook na rust was Excelsior sterker. Na ongeveer twintig minuten maakte Vink met opnieuw een onhoudbaar schot de 0-4. Van Dijke voorkwam daarna twee keer een zeker lijkend doelpunt. Vijf minuten voor tijd bleef de Feijenoord-verdediging staan in de veronderstelling dat scheidsrechter Tromp voor buitenspel zou fluiten, en Mansen maakte de 0-5.
Burgemeester Wytema reikte de Zilveren Bal na afloop uit aan Excelsior, dat hem voor het eerst won. Bij Feijenoord stelde vooral Van Heel teleur, die Mansen niet voldoende kon dekken.
Bron: eigen verslag op basis van de Volkskrant, het Algemeen Handelsblad en Het Huisgezin van 12 september 1927 (Delpher).

