In de kampioenscompetitie van 1928 won Feijenoord twee keer van Ajax, eerst thuis met 1-0 en een dag later, op Tweede Paasdag, met 0-3 in Amsterdam. Het Ajax-terrein was overvol; volgens Het Volk waren er meer kaarten verkocht dan eigenlijk geoorloofd was. Feijenoord speelde met Wessels als invaller voor de geblesseerde Verbeek.
Ajax begon tegen de wind met goed samenspel, maar de voorhoede was weinig productief. Na ruim tien minuten zweefde een voorzet van Wessels voor het doel, Heusdens en Koonings speelden Martens uit, en Heusdens scoorde (0-1). Even later schoot Barendregt de bal via de binnenkant van de paal binnen (0-2). Pijl was voor rust de beste man in de aanval: twee vliegende schoten gingen rakelings naast, en een derde trof de kruising.
Na rust drong Ajax aan, maar de robuuste Feijenoord-verdediging met Van Dijke was 'ongenaakbaar voor de lichte en bange Amsterdammers'. In de middenlinie schitterden Bul sr. en Van Heel, die de Ajax-rechtervleugel volledig de baas was. Feijenoord liep nog uit naar 0-3. Ajax leed zo zijn eerste nederlagen sinds oktober.
Bron: eigen verslag op basis van Het Volk en de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 10 april 1928 (Delpher).

