Na de 1-1 in Monaco had Feyenoord in de Kuip genoeg aan een 0-0 voor de finale van de Europa Cup voor bekerwinnaars. Toch zeiden de spelers vooraf dat spelen op 0-0 te gevaarlijk was: een verkeerde pass zou genoeg zijn. Die waarschuwing kwam uit. De Wolf zat geblesseerd op de tribune, Fraser speelde met een dikke enkel en Heus had last van een buikspier, en in de eerste helft was alleen Metgod rustig.
In de 32e minuut raakte Fraser een inzet van Fofana ongelukkig, Rui Barros kreeg de bal en legde hem af op George Weah, die van dichtbij binnentikte (0-1). Vijf minuten na rust verscheen Weah na een snelle uitval alleen voor De Goey, die de eerste poging stopte, maar Barros kopte de rebound binnen (0-2). Al een minuut later verkleinde Rob Witschge de achterstand via de rebound van een schot van Kiprich (1-2).
Daarna kon Feyenoord nauwelijks een vuist maken tegen het Monaco van Weah en Fofana. Vijf minuten voor tijd sprong een schot van Arnold Scholten terug van de borst van doelman Ettori, en invaller Marian Damaschin maakte 2-2. In de paniek die daarop volgde had Feyenoord geen tijd meer voor een derde treffer.
Zo werd Feyenoord zonder een wedstrijd te verliezen uitgeschakeld. 'Feyenoord hoeft zich niet te schamen', schreef het Amigoe: na jaren van sportieve en financiële ellende was de halve finale 'voorlopig Feyenoords plafond'.
Bron: eigen verslag op basis van NRC Handelsblad en het Amigoe van 16 april 1992 (Delpher).




