Feyenoord reisde naar het Stade Louis II in Monaco voor de halve finale van de Europa Cup voor bekerwinnaars. De ploeg had in dit toernooi via Tirana, Sion en Londen nog geen enkel tegendoelpunt toegestaan. De verdediging was wel verzwakt: De Wolf en Sabău waren geblesseerd en Bosz geschorst, zodat Van Gobbel als rechtsback speelde en Sjaak Troost na maanden weer als extra verdediger meedeed.
Na negen minuten schoot Rob Witschge van afstand Feyenoord op voorsprong: doelman Jean-Luc Ettori dook te laat naar de tweede paal (0-1). Monaco, met de Liberiaan George Weah als grote plaag, zocht het vooral over de kant van de onzekere Van Gobbel. Rui Barros liet een briljante actie van Weah onbenut, en aan de andere kant miste Kiprich na een voorzet van Blinker. Toen kwam een einde aan de reeks van 595 minuten zonder tegendoelpunt: Valéry trapte een door Van Gobbel afgeslagen bal met een ziedend schot in de bovenhoek (1-1). De Goey, die nog met een scheurtje in zijn kaak speelde, was kansloos.
Na rust kreeg het publiek nog maar weinig te zien. Metgod, Witschge en Scholten hielden de bal in de ploeg, en Fraser zorgde ervoor dat Weah geen kans meer kreeg. Kiprich werd na een uur vervangen door Griga.
Met de 1-1 en het uitdoelpunt lag de finale in Lissabon, op 6 mei 1992, precies 22 jaar na de Europa Cup-winst van 1970, binnen bereik.
Bron: eigen verslag op basis van het Algemeen Dagblad en Trouw van 2 april 1992 (Delpher).




