De bekerfinale tegen BVV Den Bosch, de nummer zeventien van de eerste divisie, leek voor Feyenoord een formaliteit na een moeizaam seizoen. De Kuip zat vol en de eerste minuten deden denken aan de sfeer van een Cupfinal op Wembley. Na zeven minuten ging het stadion al uit zijn dak: uit een hoekschop van Regi Blinker profiteerde Rob Witschge van een reeks fouten in de Bossche defensie en passeerde doelman Jan van Grinsven (1-0).
Daarna stokte het. 'Na de goal waren we verlamd', zei trainer Wim Jansen later. Kiprich en Fraser misten goede kansen, Sabau hield de bal te lang vast en ook Taument en Blinker kwamen er niet aan te pas. Vlak voor rust caramboleerde de bal via Ed de Goey en Van der Borgt bijna in het eigen doel, maar Fraser redde op de lijn.
Na rust drong Den Bosch aan. Van der Borgt, Gösgens en De Gier kregen kansen, en De Gier schoof na een slordige terugspeelbal van John de Wolf de bal zwak in de handen van De Goey. Invaller Griga scoorde nog, maar dat was buitenspel, ook al verscheen er even 2-0 op het scorebord. In de slotfase vonden supporters een gat in het hek en stroomden zij het veld op, waardoor het slot uitliep op chaos.
Voor een nette huldiging was geen ruimte meer: KNVB-voorzitter Jo van Marle drukte aanvoerder John Metgod de beker in handen op weg naar de spelerstunnel. 's Avonds werd de ploeg op de Coolsingel alsnog massaal gehuldigd voor de eerste hoofdprijs in jaren.
Bron: eigen verslag op basis van het Algemeen Dagblad, de Volkskrant, Het Parool en de Leeuwarder Courant van 3 juni 1991 (Delpher).


