Op een snikhete junidag speelde Feijenoord in Rotterdam de bekerfinale tegen Helmond, een tweedeklasser uit Brabant die zich in het toernooi knap naar de eindstrijd had geknokt. Het werd geen gemakkelijke middag: Helmond bleek snel en combineerde zuiver, en doelman Van Vegchel hield zijn ploeg met een paar fraaie reddingen, onder meer op een kopbal van Barendregt, lang in de wedstrijd.
Feijenoord had het meeste van het spel, maar zocht het doel te vaak op de verkeerde plek. Vlak voor rust sloeg Helmond toe: nadat Van der Velden eerst nog een opgelegde kans miste, schoot Drouwen even later onhoudbaar raak (0-1).
Na de pauze duurde het tien minuten voordat Feijenoord de achterstand wegwerkte. Linssen speelde Arie Paauwe aan, de jongste van de drie Paauwe-broers, en die maakte gelijk. Vijf minuten later zette Groenendijk na een pass van Barendregt Feijenoord op 2-1, maar Helmond, op dat moment met tien man door een blessure van Van Beek, kwam via Van der Velden terug tot 2-2. Daarna was het de middag van Groenendijk: met een hard schot maakte hij 3-2, na aangeven van Vrauwdeunt 4-2 en kort daarop ook nog 5-2. Daarmee nam hij vier van de vijf Feijenoord-doelpunten voor zijn rekening.
Na afloop reikte KNVB-voorzitter dr. Van Prooye de beker uit aan aanvoerder Puck van Heel. Hij betreurde dat het bekertoernooi zo weinig publiek trok, en prees ook de Zuidelijke tweedeklasser, die zich voortreffelijk had geweerd. Het was de tweede KNVB-beker voor Feijenoord, na die van 1930.
Bron: eigen verslag op basis van het Rotterdamsch Nieuwsblad, de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, het Eindhovensch Dagblad en de Provinciale Noordbrabantsche Courant van 24 juni 1935 (Delpher).

